Redactie
Redactie Architecture 1 aug 2016

Vind je woningen vanaf ’40 lelijk? Blame de overheid

Iedereen kent ze wel: foeilelijke gebouwen die uit het niets opdoemen in prachtige stadswijken. Ook veracht: torenhoge grijze flats met felgele balustrades, overheidsgebouwen van beton met grindplaten, ‘moderne’ stadskantoren en inspiratieloze vinexwijken. Waarom is de Nederlandse architectuur na de jaren 40 in het slob geraakt?

Wie rondsnuffelt op huizenverkoop websites ontdekt als snel dat jaren 30-woningen (het is bijna een officiële benaming geworden) uiterst populair zijn. Niet altijd vanwege een mooie keuken of perfecte ligging, maar in negen van de tien gevallen wel vanwege het karakter van het huis. Deze panden trekken met hun sierlijke gevels en dito afwerking de aandacht van romantici en liefhebbers.

Steden als Amsterdam, Haarlem en Den Bosch zijn ongekend populair terwijl nieuwbouwgrootheden als Almere, Lelystad en Zoetermeer zelden als mooi of aantrekkelijk worden bestempeld. Waar is het mis gegaan?

Bemoeienis van de overheid

Vanaf eind jaren 30 werden woning meer dan ooit puur functioneel: de ontwerpen moesten zo goedkoop mogelijk worden gebouwd met een efficiënte indeling en afwerking. Waar het voor 1900 vooral particuliere woningbouwverenigingen waren die het straatbeeld bepaalden, werd de invloed van de overheid na de invoering van de Woningwet in 1901 steeds groter. Er kwamen subsidies vrij, die uiteraard gebonden waren aan allerlei eisen.

Esthetiek werd aan de laars gelapt. Een onderkomen is een onderkomen.

En dat ging in het begin nog best goed. Pas na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de wederopbouw, ging men de mist in. De overheid werd één van de grootste opdrachtgevers in de woningbouw en nam de taken van particuliere woningbouwverenigingen langzaam over. Je kunt je voorstellen dat een overheid met andere belangen bezig is dan een (rijke) particuliere vereniging. Economen werden aan het werk gezet, huizen schoten als paddestoelen uit de grond en esthetiek werd aan de laars gelapt. Een onderkomen is een onderkomen.

Woonfabrieken

Door een gebrek aan aandacht verpauperden de woningen uit de jaren 40 en 50 al snel. Sommige woningen werden binnen twintig jaar weer platgegooid en ingeruild voor nog lelijkere gedrochten. Progressieve wethouders kwamen met ideeën om moderne wijken te creëren bestaande uit torenhoge grijze flats, zogenoemde ‘woonfabrieken’. Keer op keer hanteerden overheden het ‘goedkoop, veel en snel’-principe.

Een kwestie van smaak

Ook de smaak veranderde: sierlijsten en gevels werden ingeruild voor wat men destijds als mooi beschouwde: recht voor z’ n raap en strak. Tot 1975 werden sierlijsten zelfs massaal verwijderd door woningeigenaren. Er werd zelfs subsidie voor uitgetrokken. Al die extra’s werden beschouwd als neppe decoratie. Inmiddels is dit proces weer omgekeerd omdat men opzoek is naar authenticiteit.

Waarom goedkoop bouwen?

Naar esthetiek werd niet echt gekeken: de goedkope bouw werd voortgezet. Vreemd, want iedereen weet: goedkoop is duurkoop. Waar de particuliere woningbouwverenigingen uit de jaren 30 de crisis juist zagen als een uitdaging om hun investeringen waar te maken door in te zetten op langdurige kwaliteit, is de smaak van de overheid grotendeels verzwolgen door een massale aanpak.

Is er nog hoop?

Zeker wel. Hoewel er nog altijd generieke vinex-wijken uit de grond worden gestampt, neigen (lokale) overheden meer en meer voor kwaliteit te gaan: woningen die populair blijven en zo ook waarde behouden. Waar kwaliteit blijft, is smaak veranderlijk. Laten we met z’n allen hopen dat er niet nogmaals een golf van smaakverwarring voorbij schiet komende decennia.

(Hoofdfoto: Flickr.com)

Reageer op artikel:
Vind je woningen vanaf ’40 lelijk? Blame de overheid
Sluiten